HOME  |  Wonen & Leven  |  WABO & Omgevingsvergunning

WABO & Omgevingsvergunning

Bodemonderzoeksprocedures bij omgevingsvergunning voor bouwen, voor afwijken en voor bestemmingsplannen.

Voor een omgevingsvergunning voor het bouwen dient altijd een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd te worden, behalve als:

  • het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor), artikelen 2 en 3 van bijlage II;
  • er reeds voldoende (bruikbare) recente gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid aanwezig zijn;
  • het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
  • het bouwoppervlak kleiner is dan 50 m2; 
  • het desbetreffende bouwwerk de grond niet raakt of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.

Ook voor een bestemmings- en/of functiewijziging is altijd een vooronderzoek conform NEN5725 benodigd, met uitzondering van:

  • kleine bouwwerken zoals trafohuisjes en antennemasten;
  • geringe veranderingen in gebruik, waarbij er geen risico’s zijn voor het beoogde gebruik.

Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen wanneer sprake is van een van bovengenoemde uitzonderingen.

Indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging kan op basis van de toepassingskaart de bodemkwaliteit bepaalt worden. Hieromtrent zijn enkele uitzonderingen. Een vooronderzoek (in combinatie met de bodemkwaliteitskaart) is géén geldig bewijsmiddel in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen of bestemmings- en of functiewijziging wanneer uit het vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat de locatie of een gedeelte van de locatie verdacht is. Dan dient altijd minimaal een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden voor het gehele deel waarop het plan betrekking heeft. De procedure is in de Nota bodembeheer Maas & Roer in een schema weergegeven.

Grondverzet dat gecombineerd wordt met een bestemmingswijziging of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen dient gemeld te worden bij het landelijke meldpunt. In de omgevingsvergunning zal tevens een voorschrift worden opgenomen waarin wordt gesteld dat bij het realiseren van het bouwwerk moet worden gehandeld conform de Nota bodembeheer Maas & Roer en het Besluit bodemkwaliteit.

Opgemerkt wordt dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het vooronderzoek conform NEN5725 als bewijsmiddel mag dienen binnen de te doorlopen procedures. Dit is echter nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer, hij mag er ook voor kiezen om een bodemonderzoek uit te laten voeren. Voordat hij deze keuze maakt zal hij zich moeten vergewissen van de voor- en nadelen en de eventuele risico’s. Omdat elk project specifiek is, wordt aanbevolen om bij twijfel contact op te nemen met de gemeente. Indien de initiatiefnemer er voor kiest om gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart kan het zijn dat tijdens de realisatie van de werkzaamheden zaken worden aangetroffen op basis waarvan onderzoek alsnog noodzakelijk is. In het kader van andere regelgeving (zoals Arboregelgeving) kan het tevens noodzakelijk zijn dat er toch bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

Indien op een locatie sprake is of een redelijk vermoeden bestaat van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dan treedt de omgevingsvergunning pas inwerking nadat: 

  • is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of
  • met het saneringsplan is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of
  • een melding van een voornemen tot sanering is gedaan en de wettelijke termijn na indiening van deze melding is verstreken.

Voor de bijbehorende voorwaarden en regels wordt verwezen naar de omgevingsvergunning.

Voor een uitgebreidere toelichting op de omgevingsvergunning voor het afwijken en bestemmingsplannen wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van de Nota bodembeheer Maas & Roer.